Over avonturiers en angsthazenvoetbal

Uitblinkers, we zien ze te weinig op de Nederlandse voetbalvelden. De avonturiers die dribbelen en dreigen, de vrijbuiters die slalommen en schieten, de straatvoetballers die pingelen en proberen, de stilisten die met een steekpassje de spits in scoringspositie brengen. Spelers die het vermogen hebben om met hun technisch vernuft van iets half iets moois te maken. Zij die uit het niets een wedstrijd kunnen beslissen. De smaakmakers ook die het voetbal kleuren. In het vormen van uitblinkers schiet de opleiding en het trainersgilde in Nederland helaas tekort.
De KNVB lijkt vooral trainers op te leiden die het één keer raken van de bal propageren. Balbezit is daarbij heilig verklaard, liever een breedtepassje op zeker dan een risicovolle dieptepass. Buitenspelers wordt geleerd te kaatsen, middenvelders verdedigend te denken en pingelen is uit den boze. Dan krijg je van die dertien-in-een-dozijn-voetballers en van dat rechttoe-rechtaan-voetbal.
Spelers worden zo vaak al op vroege leeftijd door een systeem of een onkundige trainer gebonden aan patronen. Ze worden vlak gemaakt, waardoor er van hun talent maar weinig overblijft. Hun creativiteit wordt aan banden gelegd, in plaats van dat ze in hun eigen stijl worden ontwikkeld. En dat terwijl individuele klasse juist alle tactische patronen kan doorbreken.
Veel trainers lijken ook meer te houden van tactisch gezwam dan van avontuurlijke voetballers. Ze hebben het over balans in het elftal, maar dat is bullshit ingegeven door onzekerheid. Ze passen hun elftal aan de tegenstander aan, degelijk en behouden. Angsthazenvoetbal, terwijl durf en fantasie zo vaak worden beloond. Ze hebben geleerd resultaatgericht te denken, maar ze hebben schijnbaar niet door dat de avonturiers hen juist resultaat kunnen bezorgen. Voetbal is nu eenmaal een spel van momenten.
Natuurlijk snap ik ook wel dat wie niet veel heeft, al gauw in zijn schulp kruipt en verdedigt wat hij overheeft. En natuurlijk moet het verdedigend goed in elkaar steken, de organisatie voor elkaar zijn. Veel trainers willen echter te zeer hun stempel drukken op wat er in het veld gebeurt, met als gevolg dat voetballers in hun doen en laten worden beperkt. Jammer. Uiteindelijk is het namelijk niet tactiek, maar voetbalkwaliteit wat het verschil maakt.
De scouting van een betaald voetbal organisatie let tegenwoordig echter op hele andere kwaliteiten bij jonge spelertjes. Of ze 10 meter in 2 seconden kunnen lopen, het hakkebillen goed beheersen en een spagaat kunnen maken. Clubs werken met spelersrapporten en spelersvolgsystemen, maar daar creëer je geen uitblinkers mee. Techniek, het beheersen van de bal, dat is toch de basis in de wereld van het voetbal.
Maar zelfs sommige clubs in Duitsland schijnen tegenwoordig meer op techniek te trainen dan in Nederland. En Nederlandse techniektrainers, van wie de meesten de Wiel Coerver-methode propageren, krijgen banen aangeboden in het buitenland. Zoals Piet Hamberg bij Liverpool, René Meulensteen bij Manchester United, Ricardo Moniz bij Tottenham Hotspur en Pepijn Lijnders die van PSV naar FC Porto verkaste. Dat geeft toch te denken.
Her en der lijkt het besef ook wel door te dringen dat er iets moet gebeuren. Zo ontstaan over in den lande, zo ook bij HSC'21, voetbalscholen die vaak geënt zijn op de techniektraining van goeroe Wiel Coerver. Zijn boek "Leerplan voor de ideale voetballer" uit 1984 heb ik overigens nog altijd in een boekenkast staan. Clubs trekken ook steeds meer individuele trainers aan en de KNVB stimuleert het straatvoetbal in georganiseerde vorm. Het leidt hopelijk tot meer uitblinkers op de Nederlandse velden.
Als je een vergrootglas neemt zijn ze gelukkig ook nog steeds te vinden. Gonzalo Garcia Garcia bijvoorbeeld, als die zijn eigen gang mag gaan. Nordin Amrabat, revelatie van het vorige seizoen. Miralem Sulejmani, straatvoetballer uit Belgrado. Afellay, Aissati en Suárez. De frivole Marvin Emnes, straatvoetballer uit Rotterdam, vertrok helaas naar het Engelse Middlesbrough.
Ook op de amateurvelden kom je ze af en toe nog tegen. Zo zag ik vorig seizoen bij SC Enschede de talentvolle Appie Altunbas invallen tegen HSC'21. Echte straatvoetballer. Met een paar fraaie acties, voorzetten en passes, zorgde hij ervoor dat Sportclub dreigender werd en zelfs een 2-0 achterstand omboog in een gelijkspel. Speelde bijna niet onder trainer Theo Vonk, die Altunbas. Dat zegt genoeg. Eens kijken hoe het hem dit seizoen zal vergaan bij Quick'20.
In de finale van de districtsbeker zag ik ook Gradus Hempenius aan het werk voor Glanerbrug. Hij soleerde er tegen hoofdklassekampioen Achilles'29 lustig op los en zorgde voor de nodige dynamiek en dreiging. Het resulteerde bijna in nog een kunststukje voor de vijfdeklasser én in een opvallende "transfer". Hempenius had zich bij de Groesbekers namelijk dusdanig in de kijker gespeeld dat ze hem maar meteen inlijfden voor het nieuwe seizoen.
Er zal op een Altunbas en een Hempenius best nog wel het een en ander aan te merken zijn en hun talent zal nog wat gepolijst moeten worden. Maar zulke spelers moet je als trainer vooral het goede laten behouden, niets afnemen en een beetje hun gang laten gaan. En dat zouden ook de pappies en mammies langs de lijn moeten doen. Aan critici die alleen maar hameren op het afspelen van de bal, daar hebben ze namelijk niks aan.
In het veld moeten spelers lak hebben aan de wereld, niet te veel nadenken, gewoon durven en doen. Dat is niet alleen genieten voor het publiek, daar zal ook het elftal baat bij hebben. En dat is waar het uiteindelijk toch allemaal om draait.
Peter Visser
September 2008
» Terug